Op weg naar een effectieve warmtetransitie in Zuid-Holland

Op weg naar een effectieve warmtetransitie in Zuid-Holland

Eline van den Ende is juni jl afgestudeerd aan de TU Delft in twee studies zijnde Science Communication, and complex Systems Engineering and Management. Voor deze geïntegreerde scriptie heeft zij een 8,5 en 8 ontvangen.

Haar scriptie heet ‘Toward effective heat transition policy in South Holland”, met als ondertitel: comparing a local market driven approach, and a regional plan driven approach for the design of the low-temperature heating system in South-Holland, and exploring Q-methodology to design a process of collective learning and decision making between residents and municipalities.

Een vergelijking van modellen: Een marktgedreven PBL model versus de regionale planmatige aanpak van de provincie-Zuid Holland

In het eerste deel van haar scriptie gaat zij in op het verschil tussen de visie achter het Vesta/Maismodel (gebruikt door oa Planbureau voor de leefomgeving (hierna PBL) en CE Delft) en de regionale strategie van de Provincie Zuid-Holland, ook wel bekend als de Warmterotonde. Het Mais model van PBL is een model dat is ontwikkeld om te laten zien welke alternatieven er zijn voor aardgas in de gebouwde omgeving en dat inzicht geeft in welke gevolgen overheidsmaatregelen op het gebruik van aardgas hebben. Dit model wordt ook gebruikt om o.a. het klimaatakkoord door te rekenen.

Het is een zeer nuttig model en biedt op allerlei terreinen inzicht. Echter, zoals Eline ook in haar scriptie laat zien: het is wel belangrijk om erbij te blijven vertellen dat een model alleen maar modelleert wat je erin stopt. Het Mais model gaat uit van een lokale marktgedreven aanpak waarin de vraag en aanbod bij elkaar in de buurt moeten liggen en er geen rekening wordt gehouden met schaalvoordelen en infrastructuur die vraag en aanbod over langere afstand met elkaar in verbinding brengt. Voor Zuid-Holland leidt een dergelijke lokale aanpak tot een marktaandeel van warmte van 6-34%. In deze ontwikkeling zit relatief weinig geothermie. Duurzame bronnen die niet in de buurt van wijken liggen komen niet in ontwikkeling.

De regionale strategie van provincie Zuid-Holland is een regionale, planmatige aanpak (warmterotonde) die lokale vraag organiseert en met aanbod in verbinding brengt via infrastructuur. Deze aanpak leidt in haar analyse tot 25-80% afnemers van warmte, waarbij het aandeel aardwarmte significant stijgt.

Het PBL Mais model betekent in principe een lagere prijs voor warmte (36€ per MWh), maar vermindert daarmee de CO2 maar beperkt. Het Zuid-Holland model komt uit op een kostprijs van 38-42 € per MWh, maar kan dan ook een fiks deel van de CO2 uitbannen. Belangrijk is dat deze prijs nog altijd veel lager dan de 230€ per MWh die PBL verwacht nodig te hebben voor de volledige uitfasering van gas.

Op basis van deze studie zou je dus kunnen concluderen dat het PBL model leidt tot een warmtetransitie die duurder is en minder duurzame warmte laat ontstaan dan de strategie van Zuid-Holland. Of dit daadwerkelijk ook in de praktijk zo is, kan niet gezegd worden. Beide modellen hebben te maken met onzekerheden en  aannames.

Conclusie: Wees eerlijk over de tekortkomingen van modellen

Wat deze studie met name laat zien is dat het PBL model een aantal lacunes kent waardoor zij niet adequaat kan omgaan met innovaties en schaalvoordelen. Hierdoor levert zij een alternatieve werkelijkheid op. Dit model kan zeker helpen bij landelijke beleidskeuzes en geeft inzicht in de toekomst. Maar de makers van het model zouden veel transparanter moeten zijn over de limitaties van het model en de beperkte toepasbaarheid op de lokale werkelijkheid. Beleidsmakers zouden beter moeten snappen dat de werkelijkheid veel te ingewikkeld is om in een eenvoudig model te stoppen. Deze modellen zouden met name het beginpunt moeten zijn van een gesprek met bewoners.

De wens van de bewoner

Beide modellen hebben geen goede onderbouwing van het ontstaan van de vraag naar warmte. Een dergelijk model is dan ook niet voorradig. Hiervoor heeft Eline in het tweede deel van haar scriptie gekeken naar de behoeften van bewoners en bereidheid om af te stappen van gas. Zij heeft hiervoor gebruik gemaakt van de q-methology methode, een manier om dieperliggende waarden van bewoners in kaart te brengen en zo de kennisvraag beter op de bewoners af te stemmen. Juist het beter begrijpen wat er leeft in de wijk en welke vragen bewoners hebben zou kunnen leiden tot een makkelijkere transitie. Deze studie levert wat dat betreft interessante eerste inzichten op. Zo zijn bewoners in deze testgroep geneigd te wachten tot een volgende oplossing langs komt. De gemeente zou met name daarin aan kennisopbouw kunnen doen.

Of de transitie makkelijker gaat als de informatievoorziening wordt afgestemd op de daadwerkelijke behoefte naar kennis van de bewoners, zal in een vervolg van deze studie in twee wijken worden getest.

Voor de gehele scriptie, klik HIER.

2018-07-11T11:32:27+00:00